Laat het denken maar aan ons over.

Net als in ieder zichzelf respecterende organisatie zijn er ook bij ons verschillende commissie waarin collega’s trachten het product of dienst te verbeteren en argumenten te verzamelen waarin en waardoor aangetoond wordt dat het product verbeterd wordt en dat uitvoering gegeven wordt aan het beleid om dit product te verbeteren. Dergelijke commissies kunnen niet anders dan aan hun informatie komen door deze informatie te vragen aan de collega’s die niet deelnemen aan deze commissie.
Aan één van deze commissies heb ik op hun verzoek tot informatie, met argumenten duidelijk gemaakt waarom mijn informatie niet de bevredigende inhoud kan hebben. De reactie per e-mail van één van de leden was:

‘Prima standpunt. Zo zien wij het ook wel. Echter is dit…….’(…) Maw: Laat het denken maar aan ons over ; – ).’

Nu weet ik niet precies wat ; – ) vertegenwoordigd omdat ik in de smiley’s niet zo ingeburgerd ben, maar ik denk dat het een afzwakking van de daarvoor staande zin moet betekenen, omdat deze wel erg paternalistisch is. Een beetje surfen op het internet bevestigd mijn vermoeden, het is een knipoog, wat het mogelijk nog erger maakt: ‘Ik ben wel paternalistisch, maar ik kom er wel mee weg; we zijn toch vriendjes?’

Mijn reactie was al net zo met en knipoog en deze wil ik wel met u delen omdat ik het wel een aardige onzin vind:

Beste….

Ik voel even iets van een behoefte om te reageren op jouw: Laat het denken maar aan ons over ; – ).

Mijn denken alloceren in jouw hoofd zal mij niet lukken. Alleen al omdat ik niet weet of ik de macht over mijn denken heb.
Macht over mijn denken verondersteld een commanderende ‘IK’ en een gehoorzamende ‘IK’ (Nietzsche).
Ik bemerk dat mijn denken onafhankelijk van mijn commanderende ‘IK’ acteert, dus waarschijnlijk ben niet ‘Ik’ het die denkt maar mijn ‘Zelf’. Volgens C.G. Jung is mijn ‘Zelf’, mijn IK (bewuste deel) in combinatie met mijn onbewuste deel. Het denken zal dus wel in mijn onbewuste deel plaatsvinden en helaas gebeurt dat onbewust en kan ik jouw verzoek tot allocatie van mijn denken niet inwilligen.

Laat het denken maar aan ons over, is derhalve een ‘onzin’ (Wittgenstein).
Volgens Wittgenstein is een onzin onder te verdelen in drie soorten: overbodige, onuitsprekelijke en onvermijdelijke. Onvermijdelijk is deze onzin niet omdat ik dan veronderstel dat jij niet in staat bent anders dan onvermijdelijk onzin te verkondigen. Onuitsprekelijke, verondersteld (mijn interpretatie) een soort walging en dat komt niet bij mij op als ik aan jou zin denk.
Blijft over, overbodige onzin.

In het kader van mijn betoog dat jouw vraag om mijn denken te alloceren in jouw hoofd een onzin is kom ik dus tot de conclusie dat jouw onzin overbodig is alleen al uit oogpunt van mijn argument dat denken onwillekeurig is. Mijn vraag is dan ook om dergelijke onzin niet meer te gebruiken.
‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muß man schweigen’ (Wittgenstein).

Voor de geïnteresseerde lezer hieronder enkele bronverwijzingen:
Nietzsche, F., (1999), Voorbij goed en kwaad. De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 6e druk 2011. ISBN 9029536918. Hier gebruikt p. 24-25, §16.
Jung, C.G., (2001b), Ik en zelf. Lemniscaat, Rotterdam, 9e druk 2003. ISBN 9060695070.
Wittgenstein, L., (1976), Filosofische onderzoekingen. (vertaling: Bakx, H.W.,). Boom, Meppel, 1976. ISBN 9060092082. Hier gebruikt p. 11.
Wittgenstein, L., (2010), Tractatus logico-philosophicus. Vertaald en van een nawoord voorzien door W.F. Hermans. Athenaeum-Polak & van Gennep, Amsterdam, 9e druk 2010. ISBN 9789025360894. Hier gebruikt p. 152, §7.

 

 

Dit bericht is geplaatst in Persoonlijke gebeurtenissen. Bookmark de permalink.