Beklimming Ventoux

Het is kwart over 8, zaterdag ochtend 26 april. Vannacht om 4 uur zijn Karlijn en ik
 aangekomen in Bédoin. Mijn zusjes en zwagers zijn eerder op de dag gearriveerd. Bij aankomst was het donker dus we konden op dat moment nog niets zien van de omgeving.

Eigenlijk zou ik op dit moment moeten proberen om nog wat te slapen. Maar ik kan niet wachten om uit bed te gaan en de omgeving te bekijken. Ik stuur nog even een sms’je naar mijn moeder en schoonmoeder dat we veilig zijn aangekomen en trek mijn korte broek aan.

Er schijnt een heerlijk zonnetje en nu wordt pas duidelijk hoe dicht we op de Ventoux zitten. Wat is het hier prachtig, het is niet moeilijk voor te stellen waarom mijn ouders dit zo’n prachtige streek vonden.

Eerst maar eens in de zon de fietsen poetsen. Karlijn krijgt een nieuwe cassette en ik trakteer mijn fiets op een nieuw, hagelwit stuurlint.

Besloten wordt om gelijk vandaag al naar de top van de Mont Ventoux te gaan in verband met het goede weer.

“Dat is goed”, zeg ik. Maar dan ga ik wel op de fiets, ik kan hier gewoon niet met de auto omhoog”. Daarbij is het een goed idee om even de benen los te maken en nog wat bij te trainen voor mijn poging om de Ventoux 3 keer op een dag te beklimmen, later die week.

Na het boodschappen doen stap ik op de fiets. Omdat ik het niet te gek wil maken verwacht ik er 2 uur over te doen. Om deze reden spreek ik met de rest af, dat ze een uur later vertrekken dan ik. Zodat ze me nog aan kunnen zien komen op de top.

Zonder warm te draaien, fiets ik naar de start waar ik even stil ga staan. Zo stonden we hier 2 jaar geleden ook, Henk en ik. Ik reset mijn kilometerteller en zet Strava aan. Op het eerste stuk zit ik nog even te pielen met mijn schoen en dan herinner ik me dat de tijd loopt en zet even aan.

Oh ja ik ging rustig fietsen, herinner ik mezelf! Maar het eerste stuk is nog niet zo stijl, dus toch het buitenblad erop om even door te rijden. Ik hou mezelf voor de gek, je kan de Ventoux helemaal niet rustig op fietsen! Pfff mijn bovenbenen lopen gelijk vol, ik heb er nu al spijt van dat ik geen warming-up heb gedaan. Nog even volhouden, bij dat randje bomen mag ik terug schakelen. Ik ga te hard, mijn hartslag ligt te hoog, dit ga ik nooit tot aan de top volhouden. 
Jezus wat is het warm, daarom zei Henk altijd dat je de Ventoux het beste, of heel vroeg in de ochtend of laat in de namiddag, tegen de avond op kunt fietsen. Het is nu 3 uur in de middag, verre van ideaal.

Dit was het stuk waar Henk de vorige keer al 100m achter me zat.

Op de verjaardag van Karlijn, vlak voor onze vakantie had hij nog aan iedereen lopen verkondigen dat alhoewel ik hard kon fietsen als het korte snelle stukjes zijn, hij nog maar eens moest zien wie er op zo’n lange klim als eerste boven zou komen.
Die rit, twee jaar geleden heb ik vaak omgekeken om te zien waar hij zat. Ik moest en zou eerder dan hem aan komen die dag. Ik kijk om en ik zie niemand, de weg is leeg.

In het bos heb ik het zwaar, maar volgens mij ben ik veel minder aan het afzien dan twee jaar geleden. Ik heb de ketting en cassette (met 30 tanden achter) van Henk speciaal voor deze tocht op mijn fiets gezet, dit maakt dat ik zeer licht kan trappen en op veel stukken nog een paar tandjes over heb. Het voelt bijna als vals spelen, zo licht rijden.

Poe wat is het heet, op een gegeven moment zie ik boven mijn eigen schaduw iets bewegen. Een vlinder, ik ben helemaal niet zo dat ik hier een speciale betekenis in zie, maar ik weet dat mijn moeder dit heel bijzonder zou vinden. De vlinder blijft zo’n 100 meter lang bij me vliegen. Op één of andere manier geeft de vlinder me toch wat extra kracht, waardoor ik even kan versnellen. De vlinder verdwijnt en met veel kabaal knalt er een motor aan mij voorbij. Klote motoren, kunnen ze niet gewoon normaal omhoog rijden. De zojuist verkregen energie is weg en mijn snelheid loopt weer terug.

Voor Chalet Reinard vlakt het iets af, ik schakel iets terug en voor gooi ik de grote plaat erop. Even versnellen zodat ik weer wat snelheid gewonnen heb voor het volgende steile stuk. En nu snel terug schakelen! Shit, de shifter weigert, hoe hard ik ook druk, hij wil niet terug naar het midden blad. Wat nu, afstappen? Nee, ik fiets nog, dus gewoon door blijven gaan. Misschien even aan de kabels trekken, ook dit werkt niet. Nog een keer op de shifter drukken, hoe hard ik ookdruk het heeft geen zin, hij geeft niet mee.

Dan maar door rijden, op de Ventoux mag je niet afstappen van Henk. Geldt dat ook voor materiaal pech? Ik rij nog, ik krijg de benen nog rond, en als ik moet afstappen dan doe ik het wel op die ene plek.

Ik moet er bijna zijn, op die plek.
Misschien na de volgende bocht? Nee.

Door het rondstampen van dit enorme verzet ga ik wel een stuk sneller. Gelukkig is hier niet meer zo stijl als in het bos, ik haal iemand in, mijn snelheid moet bijna twee keer zo hoog liggen. Ik puf dan ook wel 3 keer zo hard als deze vrolijk lachende meneer.

Mijn gezicht is stijf en doet pijn van de constante grimas waarin het strak getrokken staat. Shit wat zit ik diep, nog steeds ben ik niet bij die ene plek.

Ik zie een zwarte auto in de achtergrond, dat moet de auto van Jorrit zijn. Shit dit terwijl ik net goed in mijn ritme zit, de auto komt naast me rijden, een camera uit het raam en aanmoedigingen van mijn zusjes. Ik kan niet praten, ik smijt alles wat ik mijn achter zak heb naar binnen. Weg die ballast. Uit haast gooi ik mijn repen over het dak van de auto en tegen de zei kant van de portier. Ik ga weer op de pedalen staan, maar ik ben uit mijn ritme gehaald. “DOOR RIJDEN!!”, weet ik nog uit te brengen en de auto versnelt. Bij het weg rijden zit ik er helemaal door heen, shit zooi.

IMG_9352Door dat de auto net is geweest, zit ik niet op te letten. Shit waar ben ik eigenlijk? Paaltje 157. Dit is de plek, dit is gewoon de plek! De plek waar op 2 augustus 2013 mijn vader, Henk Bobbink is verongelukt.  Overmand door emoties raak ik even overstuur. NEE, controleer je ademhaling anders is het afgelopen.

Maar weer op de pedalen staan, voor over gebogen hang ik over het stuur en doe ik de ene naar de andere trap. Weer even zitten, dat gaat misschien makkelijker. Nog een paar bochten en ik er ben er. Ik hoor mijn zus me toe schreeuwen van de top. Laat mij maar met rust, Henk hielt er ook niet van als ik naast hem ging fietsen om hem aan te moedigen.  Wat moet het voor die tour renners verschrikkelijk zijn, altijd al die schreeuwende mensen langs de weg.

De toren op de top lijkt heel dichtbij, voor mijn gevoel eerder dan ik had verwacht, ik ben er bijna. Nog eens proberen te versnellen, wat een pijn, de laatste bocht, blijven geven! Het laatste stuk, ik pers mijn laatste energie eruit, mijn zus schiet foto’s. Ik ben er.
Mijn handen trillen. Snel Strava uitzetten. 1 uur 28, goede tijd! Over de fiets gebogen hijg ik mijn longen uit mijn lijf. Even wordt ik weer overmand door emoties. Ik kan nog niet praten. Ik wordt duizelig, ik fluister tegen mijn zus dat ik bijna flauw val. Ademhaling controleren. Na enkele minuten gaat het weer wat beter en ga ik tegen het gebouw zitten.

1 uur 28, dat is 20 minuten sneller dan de 1 uur 48 van Henk, hij zou trots op me zijn.

 

Bruno Bobbink

foto(1) IMG_9412

 

 

Dit bericht is geplaatst in Persoonlijke gebeurtenissen. Bookmark de permalink.