Vandaag is mijn moeder jarig

23 december, 2011

Vandaag is mijn moeder jarig. Bij de balie vraag ik een sleutel om de afdeling op te kunnen. Daar krijg ik een bosje bloemen van de instelling. Eigenlijk hadden ze deze aan mijn vader mee willen geven, maar het was ze even ontgaan.
Mijn vader bezoekt mijn moeder iedere dag. In de zomer ’s ochtends dan is het nog niet zo warm, in de winter ’s middags, vaak is het dan net iets minder koud.  Mijn vader gaat als het even kan met mijn moeder naar buiten. Dan duwt hij de rolstoel voor zich uit.  Kromgebogen met rechte armen duwt hij de rolstoel. Eigenlijk is het te zwaar voor hem. Mijn moeder is ruim honderd kilo en zit onderuitgezakt in deze grote inrichtingsstoel op te kleine wielen. Als je hem ziet lopen met die rolstoel dan zou je hem het liefst aanbieden naar huis te brengen, maar dat laat je wel uit je hoofd als je hem kent. Hij gaat met mijn moeder wandelen omdat praten met mijn moeder geen pretje voor hem is. Iedere drie minuten het zelfde verhaal. En zijn verhaal kan hij niet meer bij haar kwijt. Nee dan liever de rolstoel vooruit geduwd. Getrouwd voor goede en slechte tijden en loyaal tot in de dood. Soms zegt ze: ‘ breng me maar  snel naar huis, mijn man komt me zo bezoeken’, en dan duwt mijn vader haar onverstoord vooruit. ‘ Jammer’  zegt mijn vader vaak, ‘moeilijk dat ik niets meer met haar kan bespreken’.

Vandaag gaat mijn vader niet met mijn moeder naar buiten. Vandaag is ze jarig  en kom ik op bezoek. Ik loop naar haar afdeling en naar haar slaapkamer. Daar is mijn vader al een beetje aan het rommelen. Als mijn moeder mijn vrouw ziet dan kijkt ze vrolijk zoals ze iedere onbekende vrolijk begroet. Als ze mij ziet dan zegt ze: ‘ daar is mijn kleine jongetje’. Ze weet meestal niet hoe ik heet, maar wel dat ik de jongste van haar twee kinderen ben. Mijn vrouw besteed aandacht aan mijn moeder en dat doet haar zichtbaar goed. Mijn vader heeft meestal een vaste routine waarin de wensen van mijn moeder vaak verstorend werken: ‘ Ach ja, ik doe het zo’.  We gaan naar beneden, naar het restaurant. Even koffie drinken met wat gebak, het is feest mijn moeder is jarig. Helaas kunnen we niet in het restaurant terecht. Op 23, 24 en 25 december wordt er een kerstdiner gegeven voor de bewoners en hun familie en dan is het restaurant voor het gewone bezoek gesloten. Naast de balie (die van die bloemen en de sleutel) staat een kar met koffie en thee en gesneden cake. De bewoners en hun gasten mogen vandaag gratis koffie pakken.

We praten wat, voornamelijk met mijn vader. Mijn moeder weet te vertellen dat er mensen zijn die geen bezoek willen. Moeder verteld verhalen waarvan zij denkt dat ze gebeurt zijn. ‘Ik vindt dat maar raar’, zegt mijn moeder, ‘ mijn twee jongens komen regelmatig langs’. Mijn vader vindt dit zichtbaar lastig nu mijn broer, zijn zoon, nog maar zo kort geleden is overleden. Mijn vrouw probeert mijn moeder nog te activeren met wat vragen: ‘weet je wat voor een dag het is?’ Nee dat weet mijn moeder niet. ‘ Het is 23 december’, een grote verwonderende blijk, wat nu 23 december? ‘Wat is er altijd op 23 december?’ En verschijnt er een stralende lach. ‘Op 23 december ben ik jarig’. En dan verteld mijn moeder weer een verhaal waarvan ze denkt dat het met haar gebeurt is. Steeds weer het zelfde verhaal. Regelmatig hoor je mijn moeder één keer hard snurken. Dan is ze weer even in slaap gevallen. Mijn vrouw gaat even naar de wc. ‘Is dat nu jouw vrouw?’ vraagt mijn moeder. ’Ja mam, dat is mijn vrouw.’ ‘O…’ .

Na een uurtje brengt mijn vader haar weer naar boven, wij gaan weer naar huis. Morgen gaat mijn vader weer met haar naar buiten. En als het regent loopt hij een uurtje met haar door de gang. ….. Tot de dood ons scheidt.

Geplaatst in Persoonlijke gebeurtenissen | Reageren uitgeschakeld

Menselijk kapitaal

In ‘Het Financieele Dagblad’ van zaterdag 10 december 2011 viel mijn oog op een artikel van Frits Conijn. Een déjà vu was het gevolg.

‘Relatief is er wel veel veranderd in het vakgebied. Waar personeelszaken vaak een aparte stafafdeling was, zijn de managers nu regelmatig betrokken bij de primaire bedrijfsprocessen. Dat betekent dat het personeelsbeleid tot stand komt in samenspraak met de andere afdelingen in het bedrijf. Daarbij wordt bijvoorbeeld de vraag gesteld welke capaciteit nodig is om dezelfde productie te blijven leveren of om die te kunnen verhogen. Zeker in deze tijd van vergrijzing heeft de strategische personeelsplanning vaak de prioriteit.
‘Daarmee wordt de invloed van de personeelsmanagers groter’, zegt Cöhr. ‘Zij zitten regelmatig aan de directietafel en moeten dan meedenken over de strategie van de onderneming. Want wat mogelijk is, wordt immers voor een groot deel bepaald door de kennis en kunde die in de organisatie aanwezig is, nu en in de toekomst.
Handig dus om deze mensen van het begin af aan bij zaken te betrekken.’

Nu wil ik het niet hebben over een tijdsgebonden thema als vergrijzing, maar verder lijkt dit stuk geschreven in 1995. In 1995 noemden wij dit ‘Strategisch personeelsbeleid’ en in het verlengde daarvan ‘ Strategische personeelsplanning’. En wat lees ik in het artikel:

‘Nadat de doelstellingen zijn geformuleerd, gaat de personeelsmanager formuleren hoe die ingevuld moeten worden. Tijdens de zogenoemde strategische personeelsplanning vraagt hij of zij zich af welke maatregelen nodig zijn om over zeg vier jaar voldoende en goed opgeleide mensen in het werknemersbestand te hebben.’

Al in de jaren ’90 van de vorige eeuw waren de belangrijke thema’s personeelsmanagement terug in de lijn en de personeelsmanager aan tafel bij het management overleg. Tot zover niets nieuws in het artikel.
Nieuw is ook niet om personeelsmanagement HRM te noemen. Human  Resource Management. Het managen van de menselijke bron die nodig is om product of dienst te realiseren. De menselijke bron, of het machine park, of de financiële middelen. Het maakt niet uit. Ook in dit artikel wordt nog maar eens herhaald:

‘het menselijk kapitaal is een van de belangrijkste bezittingen van deze organisatie.’

De mens als middel en probleem

En daar gaat het mis. Terug naar het paternalisme van de negentiende eeuw. Beste managers, de mens is geen bezit van de organisatie. Er is helemaal geen organisatie zonder mensen. Een veel gebruikte definitie onder andere in het bekende boek ‘Organisatie en Management’ van Marcus en van Dam luidt: ‘Een organisatie is elke vorm van menselijke samenwerking voor een gemeenschappelijk doel’.

Samenwerken voor een gemeenschappelijk doel. Helemaal niet een menselijke bron die je te pas en te onpas kunt uitputten om winstmaximalisatie te bereiken. De mens is geen eigendom en de menselijke waarde is niet in geld uit te drukken.
Mijn déjà vu wordt dus veroorzaakt door een vernieuwing in het personeelsmanagement die niet nieuw is en een houding ten opzichte van personeel, of medewerkers, die veel weg heeft van het paternalisme van de negentiende eeuw.

Amsterdam, Foeliestraat 28 en bewoners. Uit: Koninkrijk vol sloppen, Auke van der Woud, 2010, p. 189.

Minister Henk Kamp van sociale zaken heeft deze week een nieuw idee geïntroduceerd. De werkloze moet niet op de bank blijven zitten maar verhuizen naar daar waar het werk is. Alweer krijg ik een déjà vu. Was dat ook niet de discussie in de jaren ’80 van de vorige eeuw? En trokken niet in de negentiende eeuw veel mensen van het platteland naar de grote stad op zoek naar werk? En was daarvan niet het gevolg slechte woonsituaties in krotten en sloppen? Mensen uitgebuit door fabriekseigenaren en huisjesmelkers?

Het idee van Henk Kamp heeft natuurlijk wat bezwaren. Het beleid van de regering is dat beide partners werken. Liefst ook nog tot 67. Maar ga ik verhuizen naar een ander deel van het land en neem ik dan mijn partner mee; die dus maar ontslag moet nemen? Of ga ik verhuizen voor een tijdelijke baan? De regering wil toch flexibiliteit van arbeid? Dus vooral niet een vaste baan. En wat als ik die tijdelijk baan kwijt raak? Opnieuw verhuizen? Naar welke school moeten mijn kinderen dan? Steeds naar en andere?

Ik begrijp Henk Kamp wel. De mens is kapitaal: ‘Het belangrijkste bezit van een organisatie’. De mens is handelswaar op de arbeidsmarkt. Een déjà vu? Terug naar de negentiende eeuw?

Geplaatst in Maatschappij en Economie | Reageren uitgeschakeld

Al mijn herinneringen zijn nu eenzaam

Mijn Vader en Ab

Warnsveld/Breda, 7 december

Mijn broer is dood.
En al mijn herinneringen zijn nu eenzaam.

Samen een kamer delen,
In de keuken is de trap naar boven.
De grote antieke keuken zonder waterkraan,
Voor water moet je naar de aangrenzende schuur,
En onze moeder kookt nog op butagas.
Op zaterdag in bad in de zinken teil,
De kokosmat in de keuken doet zeer aan de doorweekte voeten.

Het buitenleven aan de Voorsterallee,

Altijd buiten, in ons paradijs.
De boomgaard,
De groentetuin,
De kippenschuur.

De grote schuur met de spannende zolder,
De kat heeft het vlees uit de braadpan gestolen,
en zoek een goed heenkomen op zolder.
Samen in de postkoets, gemaakt van tafels en een laken,
We zitten op de bok met kersen aan onze oren,
We gaan op reis, cowboyhoed op, naar het wilde westen.
Samen in de zandbak,
En gat graven tot Australië.

Samen lopen naar de school
en na de verhuizingen een andere, spannende, weg.
Samen de nieuwe vriendjes ons spannende oude huis laten zien
die leeg staat om gesloopt te worden,
En rennen voor de politie
die gewaarschuwd is door die flauwe buren.
Figuurzagen in de kamer op zondag in de pyjama.

Dan ga je naar de middelbare school.
Er gaat een nieuwe wereld voor je open.
Jongens en meisjes om je heen,
Ze worden dan al aangetrokken door jouw charisma.
Ik kijk met bewondering naar je op,
Mijn grote broer.

In de slipstream van de jaren 60 discussieert iedereen over de wereld problemen.
Vietnam, oliecrisis, Joop den Uyl, Salvatore Allende.
Iedereen hangt wat rond, In het keldertje, in de koffiebar Black out,
Of bij Nel en Dick Kapitein in het café.
De echte wereld opent zich als je op het Graffel gaat werken.
Je eerste, eigenlijk tweede keer, samenwonen in Warnsveld op de Rijksstraatweg.
Jij altijd samen met Gert van der Boezem, eindeloos platen draaien.
Gert met een platencollectie waar een winkel jaloers van zou worden.
Ons eerste grote meningsverschil:
mij is het vanaf ‘bicycle race’ duidelijk dat Queen waardeloze muziek maakt, daar denk jij anders over.

In die tijd kunnen we nog lekker Interessant doen over literatuur en muziek.
Jouw eerste poëzie pogingen verschijnen.
Tiemen wordt geboren, Ab is trotse vader.
Vier jaar later wordt ook Tole geboren in een zomerhuisje.

Je verhuist naar Breda waar jij je zo thuis voelt.
Waarschijnlijk toch een Brabander.

Ab is mijn grote broer, mijn inspirator,
Ieder van ons heeft zijn eigen stukje Ab.
Mooie belevenissen, trieste feestelijke.
Door deze belevenissen te herdenken, op te schrijven, te delen, vooral met Tiemen en Tole zal Ab altijd in ons hart en in ons leven blijven.

Ab is dood gegaan, een activiteit als op reis gegaan.
Voor de manier waarop ik in het leven sta eindig de weg van Ab niet met de dood.
Voor mij is leven leren en leren eindigt niet.
Voor mij gaat Ab verder, het leren gaat verder, de reis gaat verder, maar hij komt veilig aan.

Daarom afsluitend een paar regels van de Twentse Willem Wilmink, hoewel Ab oorspronkelijk uit de Achterhoek komt.

In ’t Nederlands is iemand dood gegaan,
Over zijn reis wordt nooit meer iets vernomen.
In het Twents is iemand uit de tijd gekomen,
Dus je weet zeker: hij kwam veilig aan.

Geplaatst in Persoonlijke gebeurtenissen | Reageren uitgeschakeld